Nederlandse Hervormde Kerk te Kapelle, historische gegevens

Het dorp Kapelle

Het dorp Kapelle is gelegen op Zuid-Beveland. Van dit gebied is de ontwikkeling lange tijd bepaald door het feit dat het tot in het midden van de negentiende eeuw een eiland is geweest. Hieraan kwam een eind toen het door de bouw van de Kreekrakdam werd verbonden met Noord-Brabant. Over de Kreekrakdam werd de spoorlijn tot Goes aangelegd. Kapelle kreeg aan deze spoorlijn, die in 1868 in gebruik werd genomen, een station. Vooral voor het goederenvervoer was dit een belangrijke vooruitgang. In 1872 werd de spoorlijn doorgetrokken tot Vlissingen. Om dit te kunnen doen moest eerst tussen Zuid-Beveland en Walcheren de Sloedam worden aangelegd.

Een andere stimulans voor de economische ontwikkeling van het gebied was het gereedkomen van het kanaal door Zuid-Beveland in 1866. Het kanaal werd een schakel in de zeer druk bevaren route tussen Antwerpen en Rotterdam.
Mede door de sterk verbeterde transportmogelijkheden kon Kapelle zich ontwikkelen tot een fruitteeltcentrum van betekenis. Vooral de teelt van klein fruit – aardbeien, bessen, frambozen, bramen – is decennia lang van grote betekenis geweest. In 1917 werd in Kapelle een fruitveiling gesticht. Na de Tweede Wereldoorlog heeft Kapelle zich ontwikkeld tot een aantrekkelijke woongemeente met een hoog niveau aan voorzieningen.

Bij de gemeentelijke herindeling per 1 januari 1970 is Zuid-Beveland opgedeeld in een viertal gemeenten: Goes, Borsele, Reimerswaal en Kapelle. Onder de gemeente Kapelle ressorteren de woonkernen Kapelle, Biezelinge, Schore en Wemeldinge. Verder het gehucht – vroeger een kerkdorp – Eversdijk. De gemeente heeft ongeveer 11.000 inwoners waarvan er meer dan de helft in de kern Kapelle wonen. Hier bevindt zich ook het bestuurlijk centrum van de gemeente.
Behalve van de Nederlandse Hervormde Kerk zijn er in Kapelle kerkelijke gemeenten gevestigd van de Gereformeerde Kerk en van de Gereformeerde Gemeente.

terug omhoog

Het ontstaan van de parochie Kapelle

kerk en toren

Met het tijdstip waarop Kapelle als zelfstandige parochie is gesticht, zijn we niet op de hoogte. In de in 1216 opgemaakte kerkenlijst komt de parochie Kapelle nog niet voor, wel in die van 1248. De stichting kunnen we tussen deze twee jaartallen dateren. Het is waarschijnlijk dat de kerk van Kloetinge als de moederkerk van Kapelle te beschouwen is. In oude, naar volledigheid strevende teksten wordt als volledige naam van de nederzetting ‘Kapelle ter Maalsteden’ vermeld. Hiermee wordt de relatie met de oorspronkelijke ambachtsheren, het uit Vlaanderen afkomstige geslacht Van de Maalstede, meteen duidelijk gemaakt. De heren Van de Maalstede kregen het gebied van Kapelle en Biezelinge als leengoed van de graaf van Vlaanderen in beheer. Zij vestigden hun woonplaats in de nog altijd bekende buurtschap Maalstede, ten oosten van de kern van het dorp. In die omgeving ligt de oorsprong van het dorp en ook de kapel, die later tot parochiekerk geworden is, zal daar gevestigd zijn. Na enige tijd is het centrum van de bebouwing verplaatst naar het tegenwoordige Kerkplein. Dit was een voor de hand liggende plaats. Het was een hoog gelegen punt, midden op een brede kreekrug en de weg vanaf het kasteel Maalstede naar het westen splitste zich daar in een weg naar Biezelinge, waar een haven in opkomst was, en naar Dijkwel, een kleine nederzetting die meer zuidwestelijk gelegen was. Het is waarschijnlijk dat de parochiestichting plaatsvond nadat de kapel naar het Kerkplein was verplaatst. Zekerheid hierover hebben we echter niet. De patroonheilige van de Kapelse kerk was de Heilige Maagd. Het was dus een zogenaamde Onze-Lieve-Vrouwekerk.

Het was bijzonder dat zich binnen één ambachtsheerlijkheid twee afzonderlijke dorpen ontwikkelden, Kapelle als overwegend agrarische gemeenschap en Biezelinge. Dit dorp met een niet onbelangrijke haven aan de zuidkust van Zuid-Beveland, was gericht op handel en scheepvaart. De parochiekerk voor de totale ambachtsheerlijkheid bevond zich in Kapelle. In Biezelinge had men uitsluitend de beschikking over een kapel. Dit betekende dat de inwoners van Biezelinge zich voor het merendeel van hun kerkelijke plichten naar Kapelle moesten begeven.

terug omhoog

De katholieke periode

kerkinterieur

Onder de katholieke periode verstaan we het tijdperk vanaf de stichting van de parochie tot 1 december 1578. Op deze datum werd, kort nadat de Grote Kerk in Goes door de aanhangers van de Reformatie in bezit was genomen, op zeven dorpen op Zuid-Beveland een predikant geplaatst. Kapelle was één van deze dorpen. Hoewel de overgang naar de Reformatie in onze omgeving niet met geweld gepaard is gegaan – er is op Zuid-Beveland geen Beeldenstorm geweest – werden altaren en beelden verwijderd en werd de katholieke eredienst niet meer in de kerken geduld. Als centraal punt in het gebouw werd het altaar vervangen door de preekstoel. Van een gewijde ruimte, bestemd voor liturgische vieringen, werd de kerk nu een ‘preekkerk’.

Gedurende de eeuwen die aan de Reformatie vooraf gingen had de kerk een voorspoedige ontwikkeling doorgemaakt. De ambachtsheren van Kapelle waren rijk en machtig, ook nadat het geslacht Van de Maalstede in de vijftiende eeuw uitgestorven was. Macht en rijkdom van de ambachtsheren straalde af op de kerk want de kerk stond centraal in de samenleving en diende juist als symbool om de macht tot uitdrukking te brengen. Als de onbetwiste bloeiperiode van de kerk kunnen we het tijdperk vanaf omstreeks 1450 tot 1550 aanmerken. De parochie groeide sterk in aantal inwoners en in economisch belang. Het zwaartepunt van de groei lag in Biezelinge, waar rond de haven tal van activiteiten tot een toenemende welvaart leidden.

In 1503 werd het belang van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Kapelle onderstreept in de verheffing tot kapittelkerk. Dit was een kerk waaraan tot meerdere eer en glorie van God een kapittel van kanunniken – meestal bestaande uit 10 of 12 personen – verbonden was. Uitsluitend kerken die over ruim voldoende middelen beschikten en die op invloedrijke voorspraak bij de bisschop konden rekenen, konden hiervoor in aanmerking komen. Op Zuid-Beveland met 55 parochies was eerder alleen de stadskerk van Reimerswaal deze eer te beurt gevallen. Zelfs een kerk als die van Goes heeft deze officiële en fel begeerde status nooit verkregen. Het heeft 75 jaar geduurd voordat in 1578 het kapittel van Kapelle door de Reformatie terzijde werd geschoven.

paneel koorhek

De tegenwoordig in het noorderkoor staande koorbanken, die voorzien zijn van fijn gesneden laatgotische boogpanelen, herinneren ons nog aan het kapittel. Ook de grafsteen van de priester Pieter Gillissen, aanwezig in de vloer van de noordelijke zijbeuk, is in dit opzicht een waardevol object. Pieter Gillissen was, vanaf de stichting in 1503 tot zijn overlijden in 1529, vice-deken en daarmede in praktisch opzicht de leidinggevende persoon in het kapittel.

Een belangrijk jaartal is 1529. In dat jaar werd de parochie Biezelinge gesticht. Na jarenlange en vaak zeer heftige inspanningen was het de inwoners van Biezelinge – ondertussen tweemaal zoveel in aantal als die van Kapelle – gelukt om een eigen parochiekerk te krijgen. Ook na die tijd bleef er evenwel een afhankelijke positie van Biezelinge ten opzichte van Kapelle in stand. Na 1578 is de kerk tot op heden onafgebroken bij de Gereformeerden – vanaf 1815 officieel de Nederlandse Hervormde Kerk geheten – in gebruik geweest.

terug omhoog

De kerk en de toren bouwkundig

Bij oppervlakkige beschouwing wordt vaak een directe relatie gelegd tussen de stichting van een parochie, als zelfstandige kerkelijke gemeente in de Middeleeuwen en het nu bestaande kerkgebouw. In de meeste gevallen is dit niet terecht omdat de kleine en minder solide kerkgebouwen uit de beginperiode later – soms zelfs meerdere keren – zijn vervangen. Vrijwel altijd zijn de nieuwe kerken, getuige teruggevonden funderingen en andere overblijfselen, wel op dezelfde plaats opgetrokken als hun voorgangers. In de tijd vóór de Reformatie liet men een eenmaal als kerk en kerkhof gewijde plaats niet snel in de steek. Ook in strategisch opzicht stond de oude kerk op de meest voor de hand liggende plaats. Zo is dat ook in Kapelle gegaan. Onder de vloer van het schip van de kerk zijn funderingsresten van een eerder gebouw gevonden, maar verder is er in het gebouw niets uit de begintijd terug te vinden.

Het bestaande kerkgebouw vormt met de toren een gave eenheid. Dit geldt niet in juridische zin, want op basis van de bepalingen in de ‘Acte van Staatsregeling des Bataafschen Volks’, tot stand gekomen in 1798, werden de toen bestaande torens met de zich daarin bevindende klokken tot eigendom van de burgerlijke overheid verklaard. Militaire en strategische redenen lagen hieraan ten grondslag. De toen genomen beslissingen zijn in latere perioden nooit teruggedraaid. Vandaar dat het eigendomsrecht van het kerkgebouw bij de kerkelijke gemeente berust, dat van de toren bij de burgerlijke gemeente.

Het oudste gedeelte van de kerk is het zuider- of hoofdkoor, gereed gekomen omstreeks 1320. Dit koor is van grote architectonische waarde. Het heeft een in die periode nog weinig toegepaste veelzijdige sluiting. De hoge en smalle ramen, afgewisseld met de tegen de wand geplaatste colonnetten, die evenals de omlijsting van de blindnissen en het boogfries onder de daklijst beschilderd zijn in rode dodekop, benadrukken sterk het omhoog strevende karakter van de gotiek uit de bouwperiode. De bouwstijl van dit koor vertoont veel overeenkomst met het iets oudere hoofdkoor van de kerk van Kloetinge. Tegen de zuidelijke wand van het koor is omstreeks 1400 de sacristie gebouwd. Deze doet tegenwoordig dienst als consistoriekamer.

In de periode na 1450 werd het toenmalige schip van de kerk te klein. Dit werd veroorzaakt door een toename van de bevolking, vooral in de kern Biezelinge. Deze ontwikkeling heeft geleid tot de bouw van het huidige schip met de beide zijbeuken. Tegen het einde van de vijftiende eeuw is in het verlengde van de noordelijke zijbeuk het noorderkoor tot stand gekomen. Het is waarschijnlijk dat de op komst zijnde verheffing tot kapittelkerk in 1503 hiertoe de aanleiding is geweest. Kort na de bouw van het noorderkoor is als laatste onderdeel van het gebouw tegen de westelijke wand van dit koor en tegen de noordelijke zijbeuk een grafkapel gebouwd, bestemd voor leden van het geslacht Van Bruelis.

Hoewel er perioden zijn geweest dat het onderhoud veel te wensen overliet en zelfs sloop van onderdelen niet denkbeeldig was, is het kerkgebouw in de staat gebleven zoals het was aan het eind van de katholieke periode. Het enige dat in de twintigste eeuw nog is toegevoegd, is het toegangsportaal tot de consistoriekamer.

foto klok Maria

Aan de westzijde van de kerk staat de robuuste, vrijwel geheel uit baksteen opgetrokken toren. Met een totale hoogte van 65 meter is het de hoogste kerktoren op Zuid-Beveland. De bouwtijd is de eerste helft van de veertiende eeuw, ongeveer dezelfde periode als waarin het zuiderkoor werd gebouwd. Als enige uit de Middeleeuwen overgebleven toren in Zeeland is de spits ervan geheel uit baksteen gemetseld. Bijzonder zijn eveneens de vier op de hoeken van de trans staande hoektorentjes. Deze hoektorentjes behoren niet tot het oorspronkelijke bouwconcept maar zijn er later, waarschijnlijk tegen het eind van de vijftiende eeuw, op geplaatst. Een aantal andere torens in de omgeving hebben min of meer vergelijkbare hoektorentjes gehad. Die zijn echter allemaal in de loop van de tijd wegens bouwvalligheid gesloopt.

Een uiting van de bovengenoemde rijkdom van de kerk gedurende de bloeiperiode vinden we ook in de klokken. In 1527 werd tegelijkertijd een zestal in Mechelen gegoten klokken op de klokkenzolder van de toren geplaatst. Vier van deze klokken waren bij de aanvang van de Tweede Wereldoorlog nog aanwezig. In 1943 werden ze op last van de bezetters ten behoeve van de oorlogsindustrie afgevoerd. Drie van de vier zijn na het einde van de oorlog onbeschadigd teruggekeerd en hangen nog altijd op hun plaats in de toren. De vierde is in 1950 vervangen door een nieuw gegoten exemplaar.

terug omhoog

foto grafzerk

Het interieur van de kerk

Naast de reeds genoemde koorbanken bevindt zich in de kerk eikenhouten meubilair uit de zeventiende eeuw: de preekstoel, rustend op een mooi gesneden herme, de herenbank onder het orgel en het portaal rondom de toegangsdeur in de zuidelijke zijbeuk. Het doophek, oorspronkelijk geplaatst rondom de preekstoel en daarmede een eenheid vormend, is tijdens de restauratieperiode van 1963-1967 opgeofferd aan het idee van het open liturgisch centrum. Sedert die tijd zijn op enkele plaatsen in de kerk delen van het doophek terug te vinden.

foto grafzerk

In de kerk is een verzameling van ruim 40 grafzerken aanwezig, die dateren uit de vijftiende tot de zeventiende eeuw, vrijwel allemaal vervaardigd van blauwe arduinsteen. 22 stuks van deze zerken zijn tijdens een herinrichting van de preekkerk in 1894 staande tegen de wand van de zuidelijke zijbeuk geplaatst. Het grote voordeel hiervan is dat ze vanaf die tijd niet meer belopen zijn. Er zijn meerdere zeer fraaie exemplaren bij en uit kunsthistorisch oogpunt is dit onderdeel van het interieur van grote waarde. Op meerdere zerken zijn de gevolgen van het weghakken van familiewapens, waartoe in de Franse tijd opdracht werd gegeven, duidelijk zichtbaar.
In het zuiderkoor staat op de plaats van het hoofdaltaar uit de katholieke periode, een forse graftombe. Dit is de tombe van jhr. Philibert van Tuyll van Serooskerke, in de zeventiende eeuw ambachtsheer van Kapelle.

foto lichtkroon

In het zuiderkoor hangen drie twaalfarmige koperen lichtkronen die dateren uit de zeventiende of achttiende eeuw. De vier achttienarmige kronen in het schip zijn betrekkelijk nieuw. Ze zijn in 1967 geschonken door het verjaardagsfonds.

Het Bätz-Witte orgel werd in 1866 gebouwd en in de kerk geplaatst door de firma Bätz & Co te Utrecht. Het is een orgel van een uitstekende kwaliteit en vooral sedert 1996, toen het van een vrij pedaal werd voorzien, wordt het vaak voor orgelconcerten gebruikt. Tot 1866 was er in de kerk geen orgel aanwezig.

De ingrijpende en dringend noodzakelijke restauratie, die gedurende de jaren 1963-1967 werd uitgevoerd, heeft de kerk inwendig een volledig ander aanzien gegeven. Het in voorgaande eeuwen op de grens van schip en koor geplaatste koorschot is toen verwijderd. De totale ruimte wordt nu bij binnenkomst door de hoofdingang aan de torenzijde weer als een harmonische eenheid ervaren. De strakke opstelling van vaste banken rondom de preekstoel heeft toen plaats gemaakt voor een flexibele inrichting met losse stoelen. Het opruimen van het koorschot heeft ook op de akoestiek een zeer gunstige uitwerking gehad.

De houten gewelven van het schip en de zijbeuken zijn versierd met op de gotiek gebaseerde sjabloonschilderingen. Toen deze schilderingen in 1896 werden aangebracht, betekende dit na ‘de eeuw van de witkalk’ een revolutionaire verandering. Later werden de schilderingen door de deskundigen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg als kitsch beschouwd en dientengevolge omstreeks 1965 overgeschilderd. In 2002 zijn ze, nu beoordeeld als historisch waardevol, volledig in ere hersteld. Ook de trekbalken in het schip zijn aan de onderzijde van sjabloonschilderingen voorzien.

De toegangsdeur in de buitenmuur van de noordelijke zijbeuk, die in 1896 werd dichtgemetseld, is in 2002 weer geopend. Veiligheidsvoorschriften hebben dit in hoofdzaak bepaald.

Kapelle 2003, G.J. Lepoeter

terug omhoog